|
Toen premier Jan Peter Balkenende (CDA) half mei een
bezoek bracht aan Suriname eiste SP-Kamerlid Harry van Bommel dat de premier
excuses zou maken voor het slavernijverleden. Al in 2001 had toenmalig
minister van Grotestedenbeleid Roger van Boxtel (D66) ‘diepe spijt’ betuigd
voor deze smet op de historie, maar dat was schijnbaar niet genoeg. De PvdA
deed er een schepje bovenop en pleitte ervoor om de jaarlijkse
slavernijherdenking op 1 juli de status van nationale dag te geven, dezelfde
status als Bevrijdingsdag.
Voordat de Nederlands-Amerikaanse historicus Johannes Postma in 1970
promoveerde op de Nederlandse slavenhandel, was er nauwelijks iets bekend
over de rol van de Nederlanders, laat staan dat er sprake was van erkenning
van het foute verleden.
Sindsdien is dat ruimschoots goedgemaakt. Boekenplanken vol zijn er
geschreven over de Nederlandse slavenhandel. De slavernij is tot de canon
van de Nederlandse geschiedenis toegetreden en daarmee vast onderdeel van de
geschiedenisles op scholen. Drie monumenten verrezen: één in Middelburg, één
op het Amsterdamse Surinameplein en dan is er natuurlijk nog het Nationaal
Monument Slavernijverleden in het Amsterdamse Oosterpark waar elk jaar op 1
juli de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 wordt herdacht. Ook kwam
er een Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden.
De slavernij is officieel onderdeel geworden van het collectieve geheugen,
maar de telkens terugkerende roep om excuses doet vermoeden dat erkenning
alleen onvoldoende is. Er moet ook schuld worden bekend, en vanuit de
(Afro-)Surinaamse en (Afro-)Antilliaanse gemeenschap klinkt geregeld de roep
om financiële genoegdoening.
Het aanpraten van een schuldcomplex gaat gepaard met geschiedvervalsing. De
schuld van de slavernij wordt uitsluitend gelegd bij de ‘witte’
slavenhandelaren die tijdens brute rooftochten Afrikanen zouden hebben
gekidnapt. Na een overtocht waarbij duizenden slaven omkwamen door de wrede
behandeling werden de slaven gedwongen de rest van hun leven onder
beestachtige omstandigheden te werken op de plantages. Nederland zou
stinkend rijk zijn geworden van deze slavenhandel. Dat is het beeld.
De werkelijkheid is genuanceerder. Niet de slavenhandelaren, maar de
Afrikanen zelf gingen op rooftochten, maakten andere Afrikanen tot slaaf en
verkochten ze. De slaven waren al slaven toen ze aan boord van de
slavenschepen stapten. In Afrika was slavernij heel gewoon, in Noord-Afrika
bijvoorbeeld leefden ook een miljoen christenslaven.
De overtocht was verschrikkelijk, maar het hoge sterftecijfer had niets te
maken met wrede behandeling. Wreedheid was verboden uit angst voor opstanden
en ‘beschadiging’van de menselijke handelswaar. Ziektes en medische onkunde
waren de oorzaak. Verhoudingsgewijs stierven er overigens meer zeelui dan
slaven. Het werk op de plantages was inderdaad beestachtig zwaar, maar
Europese arbeiders in hun thuisland hadden het veelal niet beter. De Leidse
hoogleraar geschiedenis Piet Emmer beschrijft het in De Nederlandse
Slavenhandel 1500-1850.
Als het om slavernij gaat, lijken nuanceringen verboden. Het verleden moet
louter bad guys en good guys bevatten, ook al is geschiedenis nooit zwart-wit.
Zelfs Postma, die aan de basis stond van het slavernij-onderzoek, werd daar
het slachtoffer van. In 2002 gaf hij in de Volkskrant toe tijdens zijn
onderzoek bang te zijn geweest de slavenhandel te onderschatten. Het gevolg
was dat hij de omvang juist overschatte. Alsof de slavernij zoals die echt
was al niet erg genoeg is.
Toen de West-Indische Compagnie – en niet de Oost-Indische zoals SP-Kamerlid
Harry van Bommel half mei beweerde – na 1635 begon aan de slavenhandel, was
dat om de macht van aartsvijand Spanje te breken en de handelsmacht van de
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te vergroten. Tot grote rijkdom
leidde het niet.
De Leidse historicus Piet Emmer berekende de veronderstelde ‘woekerwinsten’
en kwam erachter dat er nauwelijks winst werd gemaakt. Sterker, de rederijen
draaiden lange periodes met verlies. De Amsterdamse en Zeeuwse koophuizen
die zich inlieten met slavenhandel hielden de handel niet lang vol. De
ondernemingen smeekten de Staten-Generaal om belastingen op deze handel af
te schaffen.
Hoewel de West-Indische Compagnie tot 1730 het monopolie op slavenhandel
had, kon niet worden voorkomen dat de schuld opliep tot 4 miljoen gulden.
Ook na opheffing van het alleenrecht van de WIC bleef de opbrengst beperkt.
Historicus Emmer schat het jaarlijkse winstpercentage op 2 à 3 procent.
De slavenhandel was een marginaal onderdeel van de economie. Pas als ook de
verdiensten van de plantagelandbouw, het transport van de landbouwproducten,
de goudhandel en andere zaken die indirect met slavenhandel te maken hebben
bij elkaar worden opgeteld, telt de slavenhandel mee. Rond 1800 kwam 3
procent van het nationaal inkomen voort uit slavernij en slavenhandel: 300
miljoen gulden. Te weinig om bij afschaffing tot economische malaise te
leiden. Des te schokkender is het dat de handel zo lang doorging
bron opinieweekblad Elsevier
|